balans

waar gloei verdampt
in de kakofoniespiegels
van deze levensrand waar
stempelpariteit ontspringt
en lichaamsvervreemding
walgt tijd tot epische gedichten
over onmacht onderscheid
en onbegrip

wat verweest meer dan accoladedenken
verwringen tot pastorale vergezichten
tot zelfmuziek zinloos waren ze
al die monologen al die monotonen
voor het verwaarden van jaren
van meedogenloos mutileren
tot zelf buigt buigt buigt
en breekt